maandag 22 oktober 2018

Toerist



Mijn vierde jaar in Frankrijk breekt straks aan en ik heb nog niet één keer voor de ontspanning een toeristische site bezocht. Landgenoten spreken er schande van. Wáát? Je woont een uur bij Rocamadour vandaan en je bent er nog nooit geweest? (het is er altijd zo druk). Het middeleeuwse centrum van Sarlat nog niet gezien? (nee, maar wel drie keer het pand van de belastingdienst). Uit eten in Cahors, ballontocht boven de kastelen, picknicken aan de Dordogne. Non, non, non. We bouwen huis en schuur en tussendoor doe ik mijn werk als muziekjuf. Heel soms gaan mijn Weber en ik erop uit, maar niet als toerist. De passie van mijn Weber is namelijk oude Citroëns en soms ruikt hij een buitenkansje om zijn verzameling oud blik aan te vullen. En dan is geen dorp te ver of te afgelegen.
Zoals toen we onlangs een 2CV gingen ophalen. Een schattig autootje had op de Franse marktplaats gestaan, met nog de ronde koplampjes en in de originele lavendelblauwe kleur. Niet eens zo veel roest, altijd in de familie geweest, onderhoudsgeschiedenis gedeeltelijk op papier aanwezig. Anderhalf uur rijden bij ons vandaan. We vulden een kratje met proviand en reden de rimboe in. De tomtom wees de weg door het achterland vlakbij ons dorp, waar we nog nooit geweest waren. Een schitterend stuk Périgord Noir met sappige weitjes, donkere kastanjebossen en ruïnes van onbekende kastelen op heuveltoppen. Uiteindelijk belandden we in een piepklein en schilderachtig dorpje waar de tijd had stilgestaan. Knalroze en rode geraniums staken af tegen het geel van de stenen en op het hoogste punt van het dorp torende een klein kasteel boven onze hoofden uit. Op de kantelen wapperde een rood banier met het gele katharenkruis. De eigenaar van de Eend was een rimpelig mannetje dat onze auto-met-aanhanger al stond op te wachten en kwiek voor ons uit liep naar een schuur. Met vereende krachten haalden we het Eendje uit zijn rustplaats en lierden het op de aanhanger.

Na de betaling keek het meneertje ons tevreden aan. ‘Ik heb mooie herinneringen aan die auto,’ zei hij dromerig en we vermoedden een verhaal. Gedrieën gingen we op de aanhanger zitten. ‘Begin jaren zestig reden we met deze Eend en een caravan erachter. Die was niet heel zwaar, maar toch moesten we in de Auvergne de hellingen op in de eerste versnelling! En dat een uur lang! We moesten mijn kleine broertje meenemen, een nakomertje van twaalf jaar, en ook de broer van mijn vrouw. Die was één meter drieëntachtig! Onze dochter sliep tijdens de reis in een hangmat die we in de Eend hadden opgehangen. Zo kwamen we in Saintes-Maries-de-la-Mer aan. In de caravan sliep mijn broertje op de bank voor, de zwager lag op de grond op een matje met zijn benen onder het bed waar mijn vrouw en ik in sliepen. De hangmat van onze dochter hing ’s nachts boven onze hoofden. We hadden een camping-gasje en een jerrycan van tien liter als waterreserve. We kampeerden wild, op gemeentegrond. Het drinkwater haalden we uit de pomp van de begraafplaats, het wc- en afwaswater uit een bron waar we op de bodem ’s nachts de boter in een plastic doosje hadden staan, met een zware steen erop. ’s Morgens was het eerst een blok ijs kopen voor de koelbox. Die was ’s avonds gesmolten, net als de boter trouwens.’
Hij zweeg. ‘Maar ik wil u niet ophouden.’ ‘Nee nee,’ zeiden wij, ‘bedankt voor het partageren van uw souvenirs!’
Halverwege de heuvel buiten het dorp parkeerden we ons mooie transport langs de weg en pakten op een stenen muurtje het lunchkrat uit. Pain du Quercy met een stukje cantal en donker bier. Oorverdovende stilte. Uitzicht op een compleet onbekend middeleeuws dorp met kasteel met banier. We komen heus wel eens ergens, het staat alleen niet in de ANWB-gids.

P.S. à propos gids: wil je online meer lezen over de Périgord en nabije omstreken dan is Dordogne Magazine een site met goed geschreven stukjes over de Périgord Noir.

Deze column verscheen in Frankrijk-tijdschrift Maison en France, najaar 2016
© 2016 Anke de Bruyn. All rights reserved.

zaterdag 29 september 2018

Lammetje


In ons dorp gaat niet alleen de lente, maar ook de nazomer gepaard met lammetjes. Maar het contact tussen de schapen in de kudde gaat niet altijd over rozen. Al uren horen we een hartverscheurend geblaat op het weilandje aan de overkant. Klaaglijk hoog met lange uithalen, een klein wit vlekje in het groen. We weten intussen dat zoiets normalement vanzelf goedkomt, maar niet als de zon onder is en de kudde ergens aan de horizon. Dus gauw het weiland in, het schreiende lammetje onder de arm genomen en onderweg nog een tweede lammetje uit de braamstruiken opgepikt, dit exemplaar zo vers geboren dat de navelstreng nog aan het buikje bungelt. Het is puur toeval dat we hem vinden, want hij kan van uitputting niet eens meer geluid uitbrengen. Die was zéker met navelstreng en al in een vos verdwenen.

Jean-Marie de schapenboer woont erg achteraf maar, denken we, zijn vrijgezelle zuster die in het dorp woont, kan hem vast even bellen. Er brandt licht in haar huis. Over de schapenkeutels bij de schuur glibber ik over haar erf en zet het op een roepen. ‘Arlèèèttte!’ ‘Bèèè,’ vult mijn lammetje aan. Het blijft stil. Daar staan we dan, met onze armen vol robijntjeszachte lamsbout. Wat doe je in een Zuidfrans dorp van zes bewoonde huizen als je het niet meer weet en de avond valt? Dan ga je naar de burgemeester. Die staat een eindje verderop in het halfdonker een muurtje te stapelen voor zijn groententuin.

Pierre slaat op zijn bovenbenen als hij ons ziet aankomen. Tiens, tiens! Wat krijgen we nu? Ik zal meteen Jean-Marie bellen. Jean-Marie staat net als alle andere inwoners van het dorp in Pierre z’n telefoon. De reactie is een beetje anders dan verwacht. Een woordenstroom dendert door het mobieltje over de doodstille weg.
‘Wat, hebben ze lammetjes opgepakt? Die hadden toch in de wei kunnen blijven. Nee, ik kom niet kijken. Ze redden zich wel. Meestal komt er wel een schaap op het geblaat af. En soms niet. En vooral niet teveel aan die kleintjes zitten, want dan ruiken ze niet meer naar schaap. Meteen terugzetten. Ja, ik weet dat het donker is. Soms worden ze verstoten, dat is gewoon zo. Daar kan ik ook niks aan doen. Zet ze bij de schuur. De schapen komen wel terug vannacht. Laat de natuur zijn werk doen.’
‘Okee,’ zegt Pierre. ‘Ik loop wel mee naar de schuur.’ Intussen krabbelt hij een van de lammetjes vertederd tussen de oren. Het andere lam hapt in zijn mouw op zoek naar melk.

De optocht is nu uitgebreid met Pierre en daar komt ook de bejaarde zuster van Jean-Marie aangelopen. ‘Ik had hetzelfde gedaan als jullie hoor,’ zegt Pierre geruststellend. We zetten de lammetjes neer bij de stal die uitkomt op de wei. Ze blijven tegen ons aan staan, wankelend op onvaste pootjes, sabbelend aan broekspijpen, glibberend in schapenkeutels.
‘Nu moeten we gauw weglopen,’ zegt Pierre en zodra we allemaal buiten zijn, klapt hij het hek dicht.
De zus schudt haar hoofd. ‘Ik vind dat hij had moeten komen,’ moppert ze geroutineerd. ‘Hij kan die beesten toch niet zo alleen laten.’
Pierre zegt diplomatiek dat de schapen zeker terugkomen als het donker is. We gaan uit elkaar en hopen er allemaal het beste van.

’s Nachts wordt de stilte weer verscheurd door een allerzieligst blaten. Maar we zijn sterk en doen niets. Jean-Marie heeft gesproken. De natuur moet zijn werk doen. En er zal in die hele kudde toch minstens één schaap zijn dat het niet drooghoudt bij zoveel kinderleed.

© 2017 Anke de Bruijn. All rights reserved. Deze column verscheen in Maison en France.

Postkantoor, II

In ons piepkleine postkantoortje is het smoorheet en knus. Een kleurrijk gezelschap aan individuele klanten heeft zich met diverse post- of geldtaakjes verspreid over de krappe ruimte, waardoor niet helemaal duidelijk is wie wanneer aan de beurt is. Privacy is er evenmin. Een jonge hippie staat hardop een pakketje in te pakken en zichzelf het adres te dicteren. Aan hetzelfde sta-tafeltje staat een meisje van een jaar of achttien in een wollen trui en spijkerbroek haar cheques te ordenen.

Een dikke meneer staat tegen de balie als tegen een bar geleund en kijkt geïnteresseerd toe hoe de post-mevrouw aan diezelfde balie twee mensen te woord staat. De één is een kromgewerkt omaatje, keurig gekapt en op haar paasbest gekleed. De ander is een soort aan lager wal geraakte yogi van halverwege de twintig met een dunne zwarte baard, een vaalzwart T-shirt en een joggingbroek vol scheuren. De post-mevrouw overhandigt hem een pakket formulieren.

‘Die moet ik terughebben hè.’ Hij knikt.
‘Goed doorlezen. Op elke bladzij een paraaf, OK?’
‘OK.’
‘En ik heb een bewijsje van uw werk nodig, dat u inkomen hebt.’
‘Ik heb geen werk. Ik heb een uitkering.’
‘Dan moet u een bewijs van uw uitkering meenemen. Niet vergeten hè. Al die dingen hebben we nodig. OK?’
D’accord.’
‘En een bewijs van waar u woont. Een rekening van water of elektriciteit.’
Hij kijkt opzij naar oma, die geruststellend knikt.
‘OK,’ zegt hij, ‘en dan wil mijn oma nog. Mami?’
Het dametje schuifelt naar voren en legt een ingevuld formulier op de balie.
De postina kijkt ernaar. ‘Naar uw rekening courant?’ vraagt ze.
Bèn oui,’ zegt oma.
De postina kijkt oma scherp aan. ‘Dat is veel geld hè.’
‘Ja ja.’
‘Dus van uw spaarrekening naar uw rekening courant?’ herhaalt ze.
‘Ja,’ zegt de baard.
‘Vijfduizend euro?’ zegt de postina.
‘Ja,’ zegt hij weer.
De dikke man begint wat ongemakkelijk heen en weer te schuifelen. De hippie is nog steeds druk met zijn pakje en mompelt ‘adres’, ‘stempel’, ‘straks ben ik te laat en dan ben ik cuit’. Dan is hij gekookt. Alles is hier te herleiden naar Eten. Alles.
Het meisje in de wollen trui wappert zich koelte toe met haar chequeboekje.
‘Van u moet ik straks een identiteitsbewijs,’ zegt de postina tegen de dikke man, die in zijn polstasje begint te rommelen.
De hippie overhandigt zijn pakje aan de postina, die het op een weegschaal legt. ‘Het is warm bij mij hè,’ zegt ze tegen ons allemaal.
‘Het is overal warm,’ zegt de hippie schouderophalend.
‘Het is het seizoen,’ zegt de dikke meneer.
De baard en zijn suiker-oma vertrekken en roepen in koor bon après-midi.
Merci, pareillement,’ zeggen we in koor terug.
Nu is het meisje aan de beurt. ‘En ga je nog met vakantie?’ vraagt ze aan de postina.
‘Ja, volgende week en jij?’
‘Oh, ik pas begin september.’
‘Aiii!’ roept de hippie, als door een wesp gestoken. ‘Drie uur!’
‘Geen zorgen Alex,’ zegt de postina, ‘het busje is er nog niet.’
‘Oh, wat een opluchting. Hoe zit dat, gaat de post naar het centrale punt in Perigueux?’
‘Dat is er niet meer.’
‘Oh nee?’ zegt het meisje. ‘Niet te geloven. Dat was een groot centrum.’
‘Waar gaat het nu heen?’ vraagt Alex de hippie.
‘Het is jammer dat je voor een aangetekende brief naar het postkantoor moet,’ zegt de dikke meneer. ‘Dat kost veel tijd.’
‘Bergerac,’ zegt de postina. ‘Gelukkig maar, anders hadden wij geen werk meer.’
‘Mag ik een bonnetje?’ vraagt het meisje.
‘Mijn stemkaart kan toch ook?’ vraagt de dikke meneer.
‘Ik print er even eentje uit. Waar moet ’t heen?’
‘Mijn pakje? Grenoble.’
‘Daar heeft mijn familie nog een huis. Hier is mijn stemkaart.’
‘Waar ga je heen met vakantie?’
‘Ik heb persoonlijk geen probleem met een stemkaart, maar het moet een rijbewijs of paspoort zijn. De Réunion-eilanden. Vijf euro twintig, Alex. Hier is uw aangetekende brief, meneer. Mevrouw?’
‘Ik wil graag geld storten op mijn rekening,’ zeg ik en leg geld op de balie. De dikke meneer, Alex en het meisje volgen mijn bewegingen terwijl naar mijn bankpasje zoek.
‘En jij? Ah, het is vijfhonderd euro. Had u ook vijfhonderd geteld? Alsjeblieft Alex, tachtig cent terug.’
‘Ik blijf thuis. Hier is het ook fijn. Bonnes vacances Céline.’
‘Jij ook. Hier uw handtekening alstublieft.’
‘Ik ga weer hoor,’ zegt Alex. ‘Fijne vakantie voor wie met vakantie gaat.’

Ik voel mijn mondhoeken krullen bij zoveel positieve energie in de publieke ruimte. Het lijkt wel of elke mogelijkheid aangegrepen wordt om vriendelijk, of op z’n minst beleefd te zijn.

Bij het weggaan houdt Alex met een galante buiging de deur open voor een groepje Engelse toeristen –  zonnehoedjes, roodverbrande neuzen. Verbouwereerd blijven ze in de deuropening staan, terwijl ze grijnzend worden aangekeken door de overgebleven klanten van de postina. Is dit een postkantoor, of toch een huiskamer?

© 2017 Anke de Bruijn. All rights reserved. Deze column verscheen in Maison en France.

dinsdag 25 juli 2017

Alternativo's



Wie in een prikkelarme omgeving wil leven, heeft het in het Zuidfranse westen relatief makkelijk. Het stille heuvellandschap is een bubbel, een kaasstolp. Eentje waar de tijd heeft stilgestaan en het grote wereldnieuws nauwelijks doordringt. Doe de TV de deur uit, focus op je vak (in mijn geval muziek en geschiedenis) en je vergeet letterlijk de wereld om je heen. De omgeving hier helpt daar bij. Er bestaan hier nog beroepen uit bijbelse tijden, zoals handoplegger, kleine boer, imker en schaapherder. Zelfs een kruidenvrouwtje heeft hier bestaansrecht. 

De kruidenvrouw uit ons dorp heet Julie Rodriguez, maar het is er niet zo eentje met een grijze knot en een wrat op haar kin. Julie is klein, bruin en energiek spichtig en ziet er altijd uit alsof ze net een douche heeft genomen onder een waterval van magisch levenswater. De leeftijd van dit natuurkind is moeilijk te schatten. Ze kan doorgaan voor dertiger en alleen haar werkhanden en rimpeltjes rondom de ogen en in het décolleté verraden dat ze tegen de vijftig moet lopen. Julie is geboren uit Spaanse ouders en opgegroeid in de ruigte van de Franse Pyreneeën. Haar donkerbruine ogen fonkelen onder zware wenkbrauwen in een smal gezicht en in het ravenzwarte springerige steken hier en daar vlechtjes in felgekleurde touwtjes. In de winter wordt ze een beetje bleek en staren haar arendsogen wat dromerig de verte in. Maar zodra de eerste warme zonnestralen het landschap van La France Profonde kussen, wordt ook Julie wakker, steekt gele bloemen in het haar en gaat de natuur in. Ze struint veld en weide af op zoek naar geneeskrachtige planten, waar ze essentiële oliën van destilleert. Samen met een groepje gelijkgestemden woont ze op een oude boerderij aan het einde van een zandweggetje, waar geleefd wordt met respect voor beest en natuur.

Er schuiven wel meer van dit soort alternatieve figuren door het Zuidwestfranse landschap. Deze winter hadden we nog een heuse Jozef en Maria, compleet met een schattig Jezusje met blonde krulletjes. In de vrieskou hadden ze hun bivak opgeslagen aan de voet van de heuvel. Hun tent bestond uit doeken die ze tactisch rondom een groepje bomen met laaghangende takken hadden gedrapeerd. Ze verkochten sprokkelhout op de markt en toen ik de volgende dag met een paar dekens de heuvel af reed, waren ze weer verdwenen.

Dit veertiende-eeuwse land bestaat dus nog steeds – maar dan zonder builenpest – en ik woon er middenin. Afhankelijk van welke routes je loopt, kom je dagenlang nauwelijks iemand tegen. Het is er dunbevolkt, er is geen industrie, de lucht is schoon en er kan makkelijk uit de natuur gegeten worden. Wanneer een boerderijtje leeg komt te staan omdat oma overlijdt, besluit de familie weleens tot verhuur. Een groep als die van onze plantkundige Julie Rodriguez trekt daar dan makkelijk in – die zijn blij met vier muren en een dak en hoeven niet per sé een luxe keuken of nieuwe badkamer. Het is voor hen een sport om uit de natuur te eten – Paddestoelen! Kruiden! Bloemen! Een paar geiten en schapen erbij, en de onvermijdelijke rij bijenkasten.

Zulk idealisme wordt hier steeds zichtbaarder, want de enthousiaste bio-overlevers met hun dreadlocks, herdershonden en zorgzaam vervaardigde producten zie je op zondag achter hun standjes op de markt. Van muziek houden ze ook. Vaak hoort bij de accessoires, afgezien van een grote hond, ook een trommel. Een dreadlock-meisje dat sieraden en snijplanken van zijdezacht notenhout maakt, blijkt ook gediplomeerd gitaarbouwster te zijn en vertelt, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, dat ze als kind viola da gamba speelde – de zeventiende-eeuwse voorloper van de cello – en stapel is op Renaissance-muziek. Oh, rijkdom.
Een andere kleurrijke alternativo is Nathalie, een beeldschone blondine met springerige krullen en felle blauwe ogen. Ze is onderzoeksjournaliste heeft als zwaartepunt in haar werk het opdiepen van milieuschandalen, waar ze graag en smakelijk over vertelt. Voordat ze bij ons in de heuvels kwam wonen, zeilde ze een jaar langs de Baltische kust met een Noorse zeeman, op zoek naar milieuschandalen en okee, een beetje liefde.

Nu maakt ze de landweggetjes van de Périgord onveilig met een oud type Landrover Discovery, en als ik haar weer eens tegenkom, stampt ze hard op de rem om gedag te zeggen. De auto staat meteen stil en haar smalle schouders en dikke zomerblonde krullen bewegen mee met de de schok. ‘Salut!’ roept ze. ‘Salut!’ roep ik terug. Ik sta aan de passagierskant van de Landrover en zie dat aan die kant het raampje aan gruzelementen is geslagen. Het luxe nepleren interieur zit onder de bloedspatten en een hamer ligt in een plasje bloed op de passagiersstoel.

‘Heb je een ongeluk gehad?’ vraag ik geschrokken.
‘Nee, merde, dat putain automatische con slot van die merde de chien con van een auto zat weer eens geblokkeerd, putain.’
Vloeken is hier een serieuze zaak. Het haalt de emotie en de scherpe randjes van een mogelijk traumatische gebeurtenis. Ik knik begrijpend want het ziet er niet best uit, daarbinnen.
‘Dus ik heb m’n raampje ingeslagen,’ gaat Nathalie verder en tilt haar linkerarm op, die in een provisorisch aangelegd verband zit. ‘En nu ga ik naar de doker, putain.’
Ik ben sprakeloos. Ik wist dat Nathalie stoer was, maar dit slaat wel alles.
‘Nu je er toch bent,’ vraagt ze. ‘Wil je even een sigaret voor me draaien?’ en geeft door het kapotgemepte raam een pakje shag aan. Met haar gewonde hand omklemt ze het stuur, dat ook rood is. Het pakje tabak trilt licht in haar rechterhand.
‘Een dunne graag,’ zegt ze.
‘Je ziet wit,’ zeg ik, en rol zo snel als ik kan mijn eerste sjekkie in jaren.
‘Merci.’ Ze steekt mijn onhandige creatie in de brand, schudt haar blonde lokken naar achter, roept ‘Ciao!’ en geeft gas. Op naar de dokter.

Een beetje onthutst blijf ik achter en denk aan de opschuddings-arme bubbel waarin ik mezelf laat leven. Ik volg geen wereldnieuws meer. Het heeft ermee te maken dat het me overstuur maakt, en ook dat ik me machteloos voel. Aan het wereldnieuws kun je niets doen. Begin bij jezelf en in je eigen omgeving, wordt vaak gezegd. Anderzijds maken sommigen je voor ‘onverschillig’ uit als je de actualiteit niet volgt. Dat is niet waar. Misschien is zelfs het tegendeel waar. Als bloed op een autostoel al zo hard binnenkomt! Nathalie de onderzoeksjournalist slaat eigen ruit in. Ik blijf voorlopig even in de bubbel. Het lokale nieuws is al heftig genoeg.


© 2017 Anke de Bruijn. All rights reserved   

zondag 23 juli 2017

Zonnige bloemkool



Leven in La France Profonde zorgt dat je niet hoeft na te denken over ecologisch verantwoord, dus seizoensgebonden, inkopen. Je hoeft maar één ding te onthouden en dat is naar de kraam van een producteur te gaan. Dat zijn de kleinere kraampjes met een beperkt aanbod. Er zijn zelfs kramen die alleen maar uit meloen bestaan. 

Ook vandaag ziet de zondagmarkt van Cazals weer rood en groen en geel met groenten van de zomer. Dus eten we tomatensoep, gazpacho, ratatouille, courgettetaartjes en nog meer ratatouille. En als we niet meer weten wat we nog meer moeten variëren, gaan we alles vullen met gehakt. Gevulde courgette, gevulde aubergine, gevulde paprika, gevulde tomaat, ja zelfs gevulde ui lukt met een beetje prutsen nog best. Wil je het vegetarisch, dan kun je bijvoorbeeld weer aubergine gebruiken om je paprika te vullen. Zo komen die seizoensgroenten wel op.

Het water liep me dan ook gevaarlijk in de mond toen ik op één van de twee grote (= niet-producteur) kramen een NIET-seizoensproduct zag liggen, namelijk een hele dikke bloemkool. Ik kreeg meteen zin in mijn favoriete studentenschotel: laagje aardappelpuree (uit een pakje, indertijd), laagje platgekookte bloemkool en heel veel kant-en-klaar-geraspte kaas (aan kruiden deed je als student niet). Those were the days.

Op het kaartje van afkomst stond Bretagne. Lokaal zat, voor iemand die in het Zuidwesten zit. Kom, mag best een keer, zeker nu ik al wekenlang ratatouille uit Dégagnac acht kilometer verderop aan het versnaaien ben.

Omdat de Bretonse kool niet meer in mijn rolwagentje paste, droeg ik hem op de arm, als een baby. En werd meteen gestraft voor de koop. De eerstvolgende kraam waar ik langsliep, maakte geluid. ‘Ze koopt een bloemkool, ze loopt met een bloemkool, wat gaat ze er mee doen?’ Het was de kaasboer die dankzij zijn kwaliteit en olijfgroene ogen (daar heb je er veel van, hier) een goede handel heeft met een verrukkelijke Morbier. Ik wist niet goed wat ik moest zeggen op zulk gefluister, dat toch wel iets had van bouwvakker-op-de-steiger-contact. Maar vooral voelde ik me nogal schuldig omdat ik in de hoogzomer een winter/voorjaarsgroente had gekocht. ‘Oui,’ zei ik dus alleen maar, vergezeld van een laf lachje. Hij fronste en daar kwam het: ‘Ze zijn niet in het seizoen!’ riep hij van achter zijn kazen. Een voorbijganger keek naar mijn bloemkool. ‘En ik hoef van jou geen kaas!’ dacht ik terug en maakte me uit de voeten.

Merde
nog eens aan toe. Vermoeiend hoor, zoveel bewustzijn. Die bloemkool keek me gewoon lachend aan. Dat weersta je toch niet? Maar okee, de kaasman had gelijk: Wat gaan we er mee doen?
Ik stel voor iets simpels met veel smaak en een exotisch tintje.

  • Snij je bloemkool in roosjes, leg in zout water en spoel af.
  • Laat de roosjes zachtjes gaarkoken in een laagje sinaasappelsap uit een pak. Voeg tijdens het koken wat zout, drie eetlepels geraspte kokos en een paar scheppen kerriepoeder naar smaak toe.
  • Kook rijst, zorg dat de korrels mooi droog zijn. Roer erdoorheen: een in stukjes gesneden banaan en een half gesnipperd en in olie gefruit uitje. Hou warm.
  • Rooster een handje cashewnoten of pinda’s in een pan met een laagje olie.
  • Schep tot slot een lepel crème fraîche door het bloemkoolmengsel heen, verplaats naar een mooie schaal en garneer met de noten en wat verse koriander.
  • Serveer met de rijst en komkommersala - die is dan weer van het seizoen.

© 2017 Anke de Bruijn. All rights reserved